De ontsluitingsfase
In het begin zijn de weeën goed op te vangen. Ze zijn vaak nog onregelmatig, duren niet zo lang en zijn niet intensief. Vervolgens worden de weeën regelmatiger en nemen met name in kracht toe. Als je iedere 3-4 minuten sterke weeën hebt die 60 tot 90 seconden aanhouden, heb je goede weeën. Zolang je het goed kunt volhouden, kun je afwachten en bel je als de weeën moeilijk zijn op te vangen.
De normale ontsluiting bij een eerste kindje mag 12 tot 18 uur duren. Bij een volgende bevalling gaat het meestal sneller. Globaal verloopt deze fase als volgt:
De bevalling kan ook beginnen met het breken van de vliezen. Meestal beginnen de weeën dan binnen 24 uur. Het is belangrijk om altijd te kijken of het vruchtwater helder is. Er kunnen wat vlokjes in drijven of het kan rozig van kleur zijn. Bij gebroken vliezen overdag bel je ons om dit te melden. Ook wanneer je twijfelt of het vruchtwater is. Gebeurt het ‘s nachts en is het vruchtwater helder, probeer nog wat te slapen en bel ons ’s ochtends.
Als het vruchtwater bruin of groen is, heeft de baby in het vruchtwater gepoept. Bel ons dan direct.
Normale verschijnselen tijdens de bevalling:
Slijm en bloedverlies: dit noemen wij “tekenen”. Is het meer dan een menstruatie, bel ons dan.
Overgeven: je maag kan op dat moment het voedsel niet verteren, omdat je lichaam met iets anders bezig is.
Krampen in de benen en kuiten: goed strekken en masseren kan dan helpen.
Bibberen: dit komt door de spanning, inspanning en de veranderende hormonen.
De uitdrijvingsfase
Wanneer de baarmoedermond volledig geopend is, begint de uitdrijvingsfase. Over het algemeen krijg je een enorme druk op je anus ( het gevoel dat je moet poepen) en dat je de weeën niet meer kunt wegpuffen. De buikreflex gaat een rol spelen en daar moet je aan mee doen, of je wilt of niet.
Probeer zowel geestelijk als lichamelijk over te schakelen op deze uitdrijvingsfase. De verloskundige zal je coachen tot de baby geboren is.
Bij een eerste bevalling mag je ongeveer een uur persen, bij een volgende zal de uitdrijving sneller verlopen.
Als de baby geboren is, wordt hij of zij op je buik gelegd onder een warme doek. Dit is het moment waar je zo hard voor gewerkt hebt. Probeer hier bewust van te genieten.
De verloskundige kijkt naar de conditie van je baby en bepaalt na 1 en 5 minuten de Apgar-score. Vaak wordt daarna de navelstreng doorgeknipt door de vader.
De apgar-score.
Deze score wordt 1, 5 en 10 minuten na de bevalling afgenomen. Dit is een algemeen beeld van de conditie van de baby. We kijken dan naar hoe de baby reageert op prikkels, de kleur, de hartslag, de spierspanning en de ademhaling. Voor elk onderdeel kan de baby 2 punten krijgen. Zo kun je de start van de baby beoordelen.
Het nageboortetijdperk
Als de baby geboren is, gaat je baarmoeder door met samentrekken. Daardoor laat de placenta los en wordt meestal binnen een half uur geboren.
De verloskundige controleert of de placenta en vliezen compleet zijn en houdt de hoeveelheid bloedverlies in de gaten.
Indien hechten nodig is, wordt dit onder lokale verdoving door de verloskundige gedaan.
(Bij rhesus negatieve vrouwen wordt bloed uit de navelstreng opgevangen voor onderzoek van de rhesusfactor van de baby. Het bloed wordt in het ziekenhuis Zevenaar nagekeken. Dit bloed moet door iemand naar het ziekenhuis worden gebracht. De uitslag wordt doorgebeld aan de verloskundige en zij neemt dan weer contact op met de vader zodat hij de anti-D kan ophalen in het ziekenhuis. Als de baby rhesus positief is, krijgt de moeder de Anti-D spuit binnen 48 uur na de bevalling gespoten door de verloskundige. Bewaar de Anti-D in de koelkast.)
Als de baby ongeveer een uur oud is, zal de verloskundige de baby onderzoeken; er wordt o.a gekeken naar de kleur, ademhaling, spierspanning, loopreflex e.d. Ook wordt de baby gewogen, de schedelomtrek gemeten en de lengte bepaalt. Elke pasgeborene zal druppels vitamine K toegediend krijgen (dit bevordert de bloedstolling).
En dan is het tijd om jullie te feliciteren met de baby en uiteraard horen daar beschuit met muisjes bij!
Met regelmaat zal de baarmoeder door de verloskundige en/of kraamverzorgende gecontroleerd worden op samentrekken en op de hoeveelheid bloedverlies. Ook wordt er een verslag gemaakt over de bevalling. Dit dient afgegeven te worden bij de huisarts. De verloskundige zal alvorens te vertrekken, werkafspraken maken met de kraamverzorgende voor de komende periode. En zij zal instructies achterlaten wanneer je moet bellen bij problemen.
TIP voor de partner: als partner ben je erg belangrijk tijdens de bevalling. Het ‘er zijn’ is je belangrijkste activiteit op dat moment. Sommige barende vrouwen zijn erg in zichzelf gekeerd of zijn geïrriteerd als er iets gevraagd wordt. Soms kun je ook niets goed doen. Laat het allemaal over je heen komen. Tijdens de uitdrijving kun je haar vaak meer helpen dan tijdens de ontsluiting. Neem enige tijd na de bevalling samen nog eens door wat er allemaal gebeurd is rondom de bevalling en sta open voor elkaars ervaringen!